|
DOOR
LUDWICH VAN MULIER AMSTERDAM,
13-02-2006
Als
Allah werkelijk groot is
heeft hij geen
verdedigers nodig tegen
cartoonisten
Toen
A. Janssens
in 1998 zijn
proefschrift, “De
strafbare
belediging”,
verdedigde aan de
Rijksuniversiteit
Groningen, kon niemand
voorzien dat zijn
onderzoeksonderwerp
jaren later
-ter voorkoming
van economische- en
energie crises op de
politieke wereldagenda
zou belanden. Dit geldt
ook voor kunstkenners en
taalkundigen die
schrijven over de
verbeeldingskracht en
communicatieve betekenis
van kunst en taal.
Waarom zouden omgekeerd,
de extatische
expressie en
emotionele
zelfbeheersing van
door religiositeit
geobsedeerde Christen-,
Hindu-, Moslim-
en andere
fundamentalisten niet
aan de objectieve toets
der redelijkheid mogen
worden onderworpen?
Het
kenmerk van een
beledigingdelict is de
grote vaagheid van het
rekbare en gelaagde
begrip belediging. We
tasten nog meer in het
duister wanneer wij
belediging van het gezag
willen omschrijven. Maar
dankzij een cartoonist
in Denemarken, zijn wij
heden getuige van een
vage mega-absurditeit
dat ultraconservatieve
ondemocratische
elementen, vanwege het
feit dat zij op een
oliebel wonen, het
westen aan zijn ballen
vasthouden en de grenzen
van de verworvenheden
van de democratische
vrijheden
ter discussie
kunnen en mogen stellen.
Er
wordt grote waarde
gehecht aan de
ontwikkeling van het
vrijheidsbesef in
democratische
samenlevingen. De
mogelijkheden in het
recht om op grond van
beledigingbepalingen
personen te
veroordelen is daarom
zeer ingeperkt. Meer
aandacht wordt in
Nederland bijvoorbeeld
geschonken aan het
intelligent leren omgaan
met verschillen in
culturele, spirituele en
religieuze beleving en
de flexibele betekenis
van “eer” en morele
integriteit.
Maar
als een hoge technologie
en welvaart eenzijdig
criteria zouden mogen
vaststellen voor
vooruitgang van de
universele beschaving,
dan zouden per definitie
alle primitieve culturen
en arme landen zijn
uitgeschakeld een
bijdrage te kunnen en
mogen
leveren aan
wereldvrede. Zij, de
beledigde partij,
heeft kennelijk ook een
morele (positief remmende),
inbreng,
om ethische
ontsporingen te
voorkomen, maar kan
strafbaarstelling van
de pleger niet
afdwingen.
Marcherende
militairen moeten bij
tijd en wijle achterom
kijken (Duits: Rucksicht
nehmen)
om te kijken of de
troepen hen nog volgen,
om zodoende isolement
van de
voorhoede of de
achterhoede
te voorkomen.
Maar er is een
voorwaarde en die is,
dat allen onderworpen
zijn en getoetst worden
aan de zelfde regels en
wetten. De achterhoede
kan niet, vrouw
onderdrukkend, zich
vastbijtend in
achterhaalde tradities,
door ongecontroleerde
woede uitbarstingen en
chantage, de rest
van de wereld aan
zijn voeten binden.
Een
westerse toerist zat in
een taxi, waarin
aandachtig naar het
Caribische
radionieuws werd
geluisterd. De
nieuwslezer beweerde in
een klaagzang over
dictatoriale
onvrijheden,dat op het
communistisch eiland
Cuba de mannen
maar twee hemden
en broeken per jaar
kregen van de staat.
Gevraagd naar zijn
mening, barstte de
chauffeur los in een
scheldkanonnade tegen
dictator Fidel
Castro.
In luttele seconden
kreeg de vragenstellende
toerist de kans om een
steelse blik te werpen
op de kleding van de
chauffeur, en zag een
blouse vol gaten, een
gescheurde spijkerbroek
een gerafelde hoed en
kapotte slippers van de
chauffeur die op het
eindpunt aangekomen, de
vrijheid nam ook nog een
fooi te bedelen.
Ongeacht de
omstandigheid van de
chauffeur had deze het
recht zijn
vrijheidbeleving op zijn
manier te uiten. De
wijze waarop vandaag
naar aanleiding van het
Cartoon incident de
discussie gevoerd wordt
over de “strafbare
belediging” en de
begrenzing
van democratische
vrijheden,
is oeverloos,
omdat het onderwerp vaag
en gelaagd is, en de
premissen ongelijk zijn.
Allah zou zich schamen
te zien op welke manier
zijn apologeten zich
misdragen. Ik doel ook
op het garen spinnen
bij de Deense
uitglijder, door
hypocriete,
olieverslaafde politici.
|